Ik was een jaar of 10, misschien 11, toen het besef kwam dat er kinderen waren die het veel slechter hadden dan ik. Kinderen die niet kunnen zeuren over een irritant broertje dat een kinderachtig programma kijkt op tv, of over een vriendinnetje dat altijd veel meer snoep krijgt van haar véél lievere moeder. Simpelweg omdat die kinderen geen televisie hebben en ook geen snoepjes en in het ergste geval, ook geen moeder. Ik denk dat je, als je zulke dingen gaat beseffen, al een deel van je kinderlijke, zorgeloze leventje kwijtraakt. Let op, het beseffen is iets totaal anders dan er mee geconfronteerd worden in de (voor kinderen) meest verschrikkelijke situaties. Elke keer weer kreeg ik te horen dat de kinderen in Afrika een vreugdedansje zouden doen als ze zo’n bord vol overhéérlijk eten voor zich hadden staan, terwijl ik het dan het liefst de prullenbak in zou schuiven. Mijn arme ouders. Ze probeerden mij, zoals de meeste ouders, regelmatig wat wereldswijzer te maken. Maar volgens mij denkt elk kind bij zo’n opmerking; ‘Waarom stuur je die gadverdamme blèh vieze spruitjes dan niet gewoon op naar Afrika?’ Zonder te snappen dat het, tegen de tijd dat het daar aankomt, nog veel minder eetbaar is geworden dan toen het op mijn bord lag. Ja lieve kinderen, dat is echt mogelijk!
Ik hoorde mijn 6-jarige oppaskindje na een project op school over zuid-afrika tegen haar moeder zeggen; ‘Mam, als er scheuren in mijn kleren zitten of ze zijn gewoon helemaal kapot… Zullen we ze dan naar de zielige kindjes sturen?’ Haar moeder legt uit dat het leuker is om kleren te sturen die er nog goed uitzien, omdat ze in Afrika al genoeg kapotte kleren hebben. En dat de kinderen daar ook heel blij zouden zijn met een klein beetje speelgoed. Dat valt bij dit ‘bijna’ wereldbewuste 6-jarige meisje natuurlijk in het verkeerde keelgat en vervolgens gaat ze snel heel lief al haar barbies aankleden om de aandacht een beetje af te leiden en misschien ook wel om te laten zien dat ze die écht niet kan missen. Hier is overig niks mis mee, dat is een hele normale reactie voor een kind. En zelfs sommige volwassenen zijn de ‘ik-wil-best-helpen-zolang-ik-er-zelf-niet-minder-op-word’-eigenschap nog niet helemaal kwijtgeraakt.
Het was niet zo dat ik vanaf mijn 11e dagelijks bezig was met ‘het redden van de arme kindjes’. Ik had zo mijn periodes. In mijn ‘een betere wereld begint bij jezelf’-periodes gooi ik zwervend straatafval in de dichtstbijzijnde prullenbak en wijs ik vriendinnen op het feit dat hun schoenen misschien wel door Derde Wereldkindjes waren gemaakt. Ik ‘adopteerde’ in 5VWO zelfs een kindje bij Plan Nederland, wat dus betekent dat één derde van mijn kleedgeld maandelijks automatisch afgeschreven wordt. Voor ledenwervers ben ik ook een gemakkelijk slachtoffer als het om AIDS-baby’s of andere trieste zaken gaat. ‘Waar heb ik dat geld eigenlijk voor nodig? Zij kunnen het veel beter gebruiken’. Maar in andere periodes gooi ik zelf mijn kauwgom op de grond omdat de prullenbak aan de andere kant van de straat staat of koop ik producten waarvan iedereen weet dat ze het ‘fair-trade’ keurmerk in geen eeuwen zullen ontvangen.
Toch bedacht ik al vrij snel dat ik de kinderen in Afrika wilde helpen. Ik zou een kind gaan adopteren. Dankzij mijn gezonde hersenen die ik bij mijn geboorte gekregen heb, gratis en voor niks, snapte ik dat dat onmogelijk was. Ik was zelf nog een 2-staartjes-dragend-kind. Ik vond het alleen geen voorbarig besluit om te zeggen dat ik later minstens één kind zou adopteren. Vorig jaar maakte ik samen met 2 vriendinnen als profielwerkstuk een tijdschrift met als titel ‘Adoptie, een goede optie?’ Nu begrijp ik dat een kind adopteren ietwat ingewikkeld is. Bovendien is het maar de vraag of je dat kind niet van de wal in de sloot helpt. Voor verdere uitweiding hierover verwijs ik u door naar het hiervoor genoemde tijdschrift. Terug naar mij, naar de 11-jarige-ik-die-echt-wel-wat-van-de-wereld-weet. Ik zou ook vrijwilligerswerk gaan doen, ergens in Afrika. Mijn liefde voor kinderen was toen al erg groot, dus een paar maanden zonder tv én snoep had ik er ruim voor over. Er was alleen één groot probleem. Ik was nog steeds 11 jaar. Zelfs toen ik inmiddels 16 jaar was geworden bleek het een enorme uitdaging om een organisatie te vinden waar je, als minderjarige, in Afrika (vrijwillig) kon gaan werken. Bovendien was de ik-wil-best-helpen-zolang-ik-er-zelf-niet-minder-op-word’-eigenschap nog niet helemaal verdwenen. Het vooruitzicht dat ik mijn leven hier (mijn vriendinnen, mijn familie, mijn oppaskindjes en hun ouders, mijn danslessen, mijn kamer, mijn vegetarische burgers, de caissières bij de plaatselijke supermarkt en de door stoepkrijt gekleurde tegels) moest gaan missen, was ook niet heel aantrekkelijk. Het was veiliger en gemakkelijker om mijn plannen nog even uit te stellen.
Maar nu is het zover, ik ben nu al ruim 2 maanden officieel volwassen en niemand kan mij meer verbieden om de zielige kindjes in Afrika te gaan helpen. |